home
Wat is Survivor?
De regels
De kandidaten
Vooruitblikken
De fans
de locatie
De Organisatie
Van dag tot dag
Survivor 2002
e-mail De Organisatie

    

11 juli 2004 - 14 augustus 2004


Fanfic

      

MIST

Een survivorfic
door George van Hal



 



Makkelijk was het allemaal niet geweest, deze Survivor. Weg van de bekenden om haar heen, weg van de mensen waar ze al jaren mee had
samengewerkt. Maar ergens ook wel eens fijn. Bevrijdend. Thuis, in LA, was er altijd wel iets aan de hand. Een demonengroep die streeft naar
werelddominantie, een naderende Apocalyps en niet te vergeten de ingewikkelde groepsdynamiek. De twee mannen die genadeloos haar
gedachten wisten te beheersen. Nee, wat dat betreft had ze even genoeg van de verwikkelingen, wilde ze even rust in haar hoofd. Geestelijke
ontspanning, door lichamelijke ínspanning. Het was zo'n mooi idee geweest.
Nooit had ze kunnen vermoeden hoe het zou gaan lopen. Nooit had ze kunnen vermoeden wat ze zou gaan voelen, wat ze zou denken. Nooit had ze
de chaos in haar hoofd kunnen voorzien. Haar gedachtes leken op een grote mistige massa, met kolkende onvoorspelbare stromingen. Ergens zei
een stemmetje dat er een patroon in die stromingen zat. Een nog niet ontdekte vorm van logica, een achterliggend plan, een ontwerp. Iets om
zich aan vast te houden, om haar te leiden naar de logische conclusie van al die verschillende mistslierten die dartel om elkaar heen bewogen.
Maar als dat stemmetje gelijk had, dan had zij dat plan nog niet kunnen ontdekken. Er was geen logica, er was geen structuur. Er was alleen
chaos en verwarring. Als ze geweten had wat er zou gebeuren op Tisrond, dan was ze misschien nooit gekomen.

En terwijl ze dat dacht, wist ze ook meteen dat het niet waar was. Survivor was voor haar niet alleen een afleiding, maar ook een persoonlijke test. Een poging om een overwinning te behalen op haarzelf.
Om op papier sterkere tegenstanders eventueel achter zich te laten. Om aan zichzelf voor eens en voor altijd te bewijzen dat het onervaren
schuchtere meisje achtergebleven was in een grot op Pylea. Ooit had ze gevreesd dat ze eigenlijk nooit aan die grot was ontsnapt. Dat ze er haar hele leven zou moeten doorbrengen. Dat ze, hoe ver ze ook zou gaan, altijd weer dáár zou terugkomen. Gedoemd voor de eeuwigheid. Haar onontkoombare lotsbestemming.

Maar toch, zelfs tijdens haar donkerste bespiegelingen had ze geweten dat er meer was. Dat de ontsnapping misschien niet de illusie was, maar haar gevangenschap. Dat ze vrij was. En toen had ze de grot kunnen verlaten. Natuurlijk was de grot een deel van haar, en zou het altijd bij haar blijven horen, bij haar karakter, bij haar persoonlijkheid. Een onlosmakelijk onderdeel. Maar nu kon ze ‘m van een afstandje bewonderen. Erin rondlopen en weer weggaan. En pas toen was ze écht vrij. En dat, had ze bedacht, moest getest worden. Onder druk gezet. Een risico nemen en er sterker uitkomen. Completer. Gezonder. Gelukkiger.

Dat op zich was al reden genoeg om er tot het einde bij te willen blijven. Moe zou ze lichamelijk worden, maar geestelijk zou ze die vrijheid verstevigen, zou ze weer rust hebben. En dat was ook gelukt. Ze was niet meer wie ze vroeger was. Die periode had ze achter zich gelaten, dat wist ze nu zeker. Het meisje in de grot was vrij en zij had haar bevrijd. En eindelijk was er leegte in haar hoofd. Een stralende zonnehemel en prachtig groen gras. Maar toen ontmoette ze háár.

Het moment dat ze zag dat ze bij haar in het team zou komen was ze blij. Gelukkig. Iemand met wie ze kon praten. Iemand die haar goed zou begrijpen. Iemand met wie ze kon lachen. En toen, toen de problemen en de ongemakken van de tocht zich langzaam opstapelden, bleek er meer te
zijn. Méér dan een luisterend oor. Méér dan een gezellig gesprek. Méér dan een vriendschappelijke blik. Simpelweg méér.
Eerst waren de kleuren om haar heen gewoon feller geworden, leefde ze meer. De zon was geler, het gras was groener en ze wist niet hoe het kwam. Maar met de bewustwording kwamen de twijfels, de verwarring. De mist. Nooit had ze gedacht gevoelens voor een andere vrouw te kunnen hebben. Maar zíj was anders. Heel anders. Zij had ook gevangen gezeten in die grot. Zij wist hoe het was om vrij te zijn, om rond te lopen, maar
tegelijkertijd vast te zitten in een gevangenis waarvan alleen jijzelf de sleutel hebt. Ze wist het, ze begreep het. Ze keek door haar heen, tot diep van binnen. Ze zag plekken die anderen nooit bij haar hadden gezien. Het was eng, het was nieuw, maar het was vooral ook direct heel vertrouwd. Zacht. Warm. Fijn.
Ze wist dat het niet lang kon duren. Dat het buiten de grenzen van dit wonderbaarlijke spelletje op zou houden. Dat mensen zich hier anders gedroegen. Misschien zelfs wel anders wáren. Hoe ze dat wist, kon ze je niet vertellen, maar ze wíst het. Net als eigenlijk iedereen. Maar toch
hield die kennis haar niet tegen om met volle teugen te genieten. Elke dag die ze nog had. Want ook zij wist dat het snel afgelopen kon zijn.
Ook zij was overgeleverd aan de wisselvalligheid van de stemmers, daar kon ze niets aan veranderen. Wél kon ze hopen dat dit gevoel, deze roes,
deze tijd, nooit meer zou ophouden. Want ook ijdele hoop is hoop.

Langzaam trok de mist weg en kwam de kleurenpracht nog overweldigender terug dan het daarvoor geweest was. En ergens, heel in de verte, kon je een stemmetje tevreden horen lachen.