|
|
Makkelijk was het allemaal niet geweest, deze Survivor. Weg van
de bekenden om haar heen, weg van de mensen waar ze al jaren mee
had
samengewerkt. Maar ergens ook wel eens fijn. Bevrijdend. Thuis,
in LA, was er altijd wel iets aan de hand. Een demonengroep die
streeft naar
werelddominantie, een naderende Apocalyps en niet te vergeten de
ingewikkelde groepsdynamiek. De twee mannen die genadeloos haar
gedachten wisten te beheersen. Nee, wat dat betreft had ze even
genoeg van de verwikkelingen, wilde ze even rust in haar hoofd.
Geestelijke
ontspanning, door lichamelijke ínspanning. Het was zo'n mooi
idee geweest.
Nooit had ze kunnen vermoeden hoe het zou gaan lopen. Nooit had
ze kunnen vermoeden wat ze zou gaan voelen, wat ze zou denken. Nooit
had ze
de chaos in haar hoofd kunnen voorzien. Haar gedachtes leken op
een grote mistige massa, met kolkende onvoorspelbare stromingen.
Ergens zei
een stemmetje dat er een patroon in die stromingen zat. Een nog
niet ontdekte vorm van logica, een achterliggend plan, een ontwerp.
Iets om
zich aan vast te houden, om haar te leiden naar de logische conclusie
van al die verschillende mistslierten die dartel om elkaar heen
bewogen.
Maar als dat stemmetje gelijk had, dan had zij dat plan nog niet
kunnen ontdekken. Er was geen logica, er was geen structuur. Er
was alleen
chaos en verwarring. Als ze geweten had wat er zou gebeuren op Tisrond,
dan was ze misschien nooit gekomen.
En terwijl ze dat dacht, wist ze ook meteen dat het niet waar was.
Survivor was voor haar niet alleen een afleiding, maar ook een persoonlijke
test. Een poging om een overwinning te behalen op haarzelf.
Om
op papier sterkere tegenstanders eventueel achter zich te laten.
Om aan zichzelf voor eens en voor altijd te bewijzen dat het onervaren
schuchtere meisje achtergebleven was in een grot op Pylea. Ooit
had ze gevreesd dat ze eigenlijk nooit aan die grot was ontsnapt.
Dat ze er haar hele leven zou moeten doorbrengen. Dat ze, hoe ver
ze ook zou gaan, altijd weer dáár zou terugkomen.
Gedoemd voor de eeuwigheid. Haar onontkoombare lotsbestemming.
Maar
toch, zelfs tijdens haar donkerste bespiegelingen had ze geweten
dat er meer was. Dat de ontsnapping misschien niet de illusie was,
maar haar gevangenschap. Dat ze vrij was. En toen had ze de grot
kunnen verlaten. Natuurlijk was de grot een deel van haar, en zou
het altijd bij haar blijven horen, bij haar karakter, bij haar persoonlijkheid.
Een onlosmakelijk onderdeel. Maar nu kon ze ‘m van een afstandje
bewonderen. Erin rondlopen en weer weggaan. En pas toen was ze écht
vrij. En dat, had ze bedacht, moest getest worden. Onder druk gezet.
Een risico nemen en er sterker uitkomen. Completer. Gezonder. Gelukkiger.
Dat op zich was al reden genoeg om er tot het einde bij te willen
blijven. Moe zou ze lichamelijk worden, maar geestelijk zou ze die
vrijheid verstevigen, zou ze weer rust hebben. En dat was ook gelukt.
Ze was niet meer wie ze vroeger was. Die periode had ze achter zich
gelaten, dat wist ze nu zeker. Het meisje in de grot was vrij en
zij had haar bevrijd. En eindelijk was er leegte in haar hoofd.
Een stralende zonnehemel en prachtig groen gras. Maar toen ontmoette
ze háár.
Het
moment dat ze zag dat ze bij haar in het team zou komen was ze blij.
Gelukkig. Iemand met wie ze kon praten. Iemand die haar goed zou
begrijpen. Iemand met wie ze kon lachen. En toen, toen de problemen
en de ongemakken van de tocht zich langzaam opstapelden, bleek er
meer te
zijn. Méér dan een luisterend oor. Méér
dan een gezellig gesprek. Méér dan een vriendschappelijke
blik. Simpelweg méér.
Eerst waren de kleuren om haar heen gewoon feller geworden, leefde
ze meer. De zon was geler, het gras was groener en ze wist niet
hoe het kwam. Maar met de bewustwording kwamen de twijfels, de verwarring.
De mist. Nooit had ze gedacht gevoelens voor een andere vrouw te
kunnen hebben. Maar zíj was anders. Heel anders. Zij had
ook gevangen gezeten in die grot. Zij wist hoe het was om vrij te
zijn, om rond te lopen, maar
tegelijkertijd vast te zitten in een gevangenis waarvan alleen jijzelf
de sleutel hebt. Ze wist het, ze begreep het. Ze keek door haar
heen, tot diep van binnen. Ze zag plekken die anderen nooit bij
haar hadden gezien. Het was eng, het was nieuw, maar het was vooral
ook direct heel vertrouwd. Zacht. Warm. Fijn.
Ze wist dat het niet lang kon duren. Dat het buiten de grenzen van
dit wonderbaarlijke spelletje op zou houden. Dat mensen zich hier
anders gedroegen. Misschien zelfs wel anders wáren. Hoe ze
dat wist, kon ze je niet vertellen, maar ze wíst het. Net
als eigenlijk iedereen. Maar toch
hield die kennis haar niet tegen om met volle teugen te genieten.
Elke dag die ze nog had. Want ook zij wist dat het snel afgelopen
kon zijn.
Ook zij was overgeleverd aan de wisselvalligheid van de stemmers,
daar kon ze niets aan veranderen. Wél kon ze hopen dat dit
gevoel, deze roes,
deze tijd, nooit meer zou ophouden. Want ook ijdele hoop is hoop.
Langzaam trok de mist weg en kwam de kleurenpracht nog overweldigender
terug dan het daarvoor geweest was. En ergens, heel in de verte,
kon je een stemmetje tevreden horen lachen.
|